“Dat is een goeie vraag!” Hoor je vaak in een interview van een sporter buiten adem tot een bewindspersoon in functie.
Meestal is het tijd-kopen om een passend antwoord te bedenken. “Tja, daar heb ik nog niet zo over nagedacht”, zou het eerlijke antwoord zijn, en dat willen wij toch graag horen, nietwaar? Het eerlijke antwoord! Soms is het een compliment om de vragensteller gunstig te stemmen; dan betekent het ‘wat ben jij toch slim! Je zal het wel fijn vinden als ik mijn mond voorbij praat, toch?’ Nog een niveau dieper: hoe kom je daarop? Dat gaat al in de richting van een diepte-interview. Dat bewaren we voor zomergasten.
Toen mijn kleindochter van vijf/bijna-zes mij tijdens een wandeling vroeg waar de zaadjes vandaan kwamen viel ik even stil; wat voor een vraag was dat, en wat van een antwoord zou ik haar het beste kunnen geven?
“Goeie vraag”, leek geen slecht begin. Op het pad lagen nog bolsters van kastanjes dus dat was een meevaller; nou, sommige zaadjes vallen van de bomen en dan zijn ze groot als deze kastanjes. Kijk maar. In mijn verlichte geest dacht ik meteen aan de evolutie: en uit die kastanjes groeien dan weer bomen, en zo zijn bomen en plantjes uit zaadjes gegroeid. En geen zaadje is precies hetzelfde en daarom waren de bomen en planten vroeger ook anders. Net als de dieren en de mensen. De oerknal leek me iets te ver buiten haar bereik, hoewel de meeste kinderen via de dino’s toch al heel wat weten over de prehistorie, meer dan ik op die leeftijd.
Het zal toch geen vraag zijn naar de bijtjes en de bloemetjes en de kindertjes? Op mijn twaalfde of dertiende, daar wil ik vanaf wezen, vroeg mijn vader er eens naar: of we op school het daar ook al over hadden gehad. Het was vakantie en ik was een dagje met hem mee op reis voor zijn werk. Ja pa, bij de biologie en zo. Pa opgelucht, ik opgelucht en toen konden we het hebben over de mooie luchten, het landschap en de boerderijen die hij zo graag schilderde.
Onze aandacht was nu op het pad gericht. Ze raapte de lege huls van een zaadje van een acacia op: “wat een mooi blaadje!”. Opa, wil je die bewaren voor thuis. Het was meer een opdracht dan een vraag. En deze mooie steen ook.
Voor ik het wist was ik de schatbewaarder die straks alles weer zorgvuldig uit m’n zakken moest halen om aan oma te laten zien terwijl zij alweer bezig was met heel andere zaken zoals dorst en een filmpje kijken.
“Helemaal goed”, hoor ik mezelf opgelucht zeggen. Net als de bediening op het terras, die vraagt of we nog iets anders willen bestellen en wij dan “nee, dankjewel”, zeggen.
Evert Ruiter, februari 2026

