“Terugkijkend op mijn jeugdjaren,” begon oom Johan, “moet ik bekennen dat ik toen in de kroegen veel te vrijgevend ben geweest, om het de anderen maar naar de zin te maken gaf ik bovengemiddeld veel rondjes. Aan het einde van de avond ging iedereen dan ook op mijn kosten aangeschoten naar huis. En sommige vrienden uit die jaren profiteerden hiervan zo schandalig, dat ze hiervoor alsnog met terugwerkende kracht in verzekerde bewaring zouden moeten worden genomen. Maar ja, ik verdiende veel geld met allerlei bijbaantjes, terwijl de meeste vrienden het stappen nog van hun zakgeld moesten betalen. Bovendien had ‘t ook voordelen, want ik was wel de getapte bink, men wilde mij er graag bij hebben. Want als een avondje ’n beetje stroef verliep, en dat had je weleens, gooide ik er snel een paar extra rondjes tegenaan, waardoor de stemming moeiteloos omsloeg en het alsnog gezellig werd. En vergeet niet dat wij destijds dan ook een zorgeloos leventje hadden, want de hele riedel van een baan zoeken, achter woonruimte aan gaan en een gezin stichten, moest nog beginnen. Bovendien wisten we allemaal, was je eenmaal gesetteld, dan was het gedaan met de pret, met het vrije leventje, met het kroeglopen. Dus probeerden we, zo lang het nog kon, zo veel mogelijk plezier te maken, want het kon maar zo voorbij zijn. Dus zakten we elk weekend door, want van thuiszitten werden we alleen maar onrustig, pinda’s pellen voor de TV kon altijd nog. Dus gingen we met z’n allen de hort op, waarbij niets ons te gek was. En maar bier drinken, want we waren natuurlijk niet gek, want met appelsap of cola in de mik, had je lang niet zoveel schik. En als we dan, tegen die tijd dat de cafés dicht gingen, in het bleke ochtendlicht onbesuisd op onze opgevoerde brommers via allerlei slecht verlichte landweggetjes naar huis reden om uiteindelijk, na veel gestommel op de trap, in ons bed te belanden, bereikten we al gauw een dusdanige toestand van verminderd bewustzijn dat wij zelfs een flinke aardbeving, vulkaanuitbarsting of vergelijkbaar natuurverschijnsel zouden hebben getrotseerd,” schaterlachte oom Johan, “iedereen lag namelijk in een diep coma.”
“Nou, jullie hielden er, zo te horen, in die tijd een tamelijk roekeloos leventje op na. Daar zullen jullie ouders destijds wel behoorlijk slecht van hebben geslapen.” veronderstelde Roy.
“Klopt helemaal, achteraf dan ook niets dan hulde voor onze begripvolle ouders die we inderdaad destijds heel wat hoofdbrekens moeten hebben bezorgd. Maar het heeft nooit tot heftige conflicten geleid, want ze wisten natuurlijk ook dat het ‘n keertje ophield. Sommigen vrienden wisten zich toen langzaam weg te toveren uit het vaste gezelschap, omdat ze de voorkeur gaven aan hun verkering. En weer anderen kozen voor een baan in de horeca, waardoor ze elk weekend moesten werken en weer anderen hadden simpelweg genoeg van het elkaar iedere week onder de tafel drinken en legden dit geld liever opzij voor een tweedehandsauto, om in het vervolg elke zaterdagavond bij de ouders thuis voor de TV pinda’s te gaan pellen. Kortom, iedereen was er wel zo’n beetje klaar mee, het serieuze leven klopte op de deur, kroeglopen behoorde niet meer tot onze primaire behoefte. Voortaan beperkte het bier drinken zich louter nog tot verjaardagen, bruiloften en partijen.”
“Heb je nog vrienden voor het leven overgehouden aan die tijd?” vroeg Anneke zich toen af.
“Nou, ik zal je vertellen, dat valt tegen, want het merendeel woont inmiddels verspreid over het land. We hebben weleens geprobeerd na al die jaren de koppen weer eens bij elkaar te steken voor een grote reünie, maar dat ging steeds niet door. Het klassieke thema was dat er altijd wel één of twee oude makkers ernstig ziek waren. Achteraf gezien is dat echt jammer.”
“Da’s inderdaad jammer.” viel Roy hem bij. “Was leuk geweest iedereen nog ‘ns te zien.”
“Klopt.” zei oom Johan. “En het is misschien dan wel psychologie van de koude grond, maar geniet alsjeblieft zoveel mogelijk van het leven, want het is later is dan je denkt.”

