“De politiek roept steeds meer verbazing bij me op”, begon oom Johan, “Het lijkt wel of ze met alle winden meewaaien, het ene jaar zijn ze pro emigratie en het jaar daarop draaien ze 180 graden en willen ze ineens de grenzen sluiten, nou ja, zeg! Persoonlijk ben ik een groot voorstander van een referendum, net zoals in Zwitserland. Als er belangrijke zaken zijn, dan leg je die voor aan de bevolking, onderwerpen die ons allemaal aangaan, dien je niet in achterkamertjes met handjeklap te beslissen, dat ondermijnt de gemeenschapszin.”
“Kom op, oom Johan, niet zo mopperen!” onderbrak Anneke hem. “Hoe vaak hebben we dit nu al meegemaakt, zeg maar, dat een kabinet de rit niet uitzit. Dat is toch van alle tijden, alleen in België en in Italië valt de regering nog vaker, die hebben er een abonnement op. Maar ja, je zal zien dat er na de verkiezingen weer een nieuwe coalitie aan de macht komt, een nieuwe club die ons ook weer gouden bergen belooft. En voor je ’t weet, ligt die ook weer op z’n gat. Want het ouwe liedje is: eerst willen ze je stem en dan je geld.” En terwijl ze zich tot Roy wendde, vroeg ze wat die ervan vond. Deze zag, uit het raam kijkend, dat de zon doorkwam. “Kijk eens, het wordt mooi weer vandaag.” sprak ie verheugd. “En om je vraag te beantwoorden, het verbaast me niet dat het kabinet is gevallen. Als zo’n stoorzender als Wilders je voortdurend voor de voeten loopt, kan het alleen maar fout gaan.”
“Mee eens, genoeg over de politiek nu, wie lust er nog een bak koffie?” vroeg Anneke.
“Graag.” antwoordden beide heren in koor en namen plaats op de bank in de huiskamer.
“Weet je wat ik heb, met al die ellende op radio en TV?” begon Anneke weer. “Door voortdurend geconfronteerd te worden met al die oorlogen, kost het je steeds meer moeite om zelf nog ‘n beetje van het leven te genieten. Je voelt je gewoon schuldig als je zelf ’n keer plezier hebt. Je voelt je, zeg maar, schuldig tegenover al die mensen die geen normaal, zorgeloos en vredig bestaan hebben, zoals wij. Want terwijl wij op een terras nog een chardonnay laten aanrukken, hebben ze daar simpelweg gebrek aan schoon drinkwater.
Weet je waar die onmacht mij nog het meeste aan doet denken,” vervolgde ze, “aan datgene wat mijn vriendin overkwam, toen zij op de ambassade van een straatarm ontwikkelingsland werkte en tijdens de dagelijkse wandelingen met haar man geconfronteerd werd met tientallen, door de hoofdstad rondzwervende, weeskinderen. Het was een schrijnende toestand, al die haveloze kinderen werden volledig aan hun lot overgelaten door een tekortschietende overheid, er was letterlijk niemand die zich om de groep kwetsbare kinderen bekommerde. Na een tijdlang de kleintjes op gezette tijden aan wat eten en drinken te hebben geholpen, ondernam het stel op gegeven moment een serieuze poging om enige van die kansloze kinderen te adopteren. Echter, alle diplomatieke contacten op de Nederlandse vertegenwoordiging ten spijt, werkten de autoriteiten van het derdewereldland op geen enkele wijze mee om enige van hun, in een uitzichtloze positie verkerende, onderdanen een beter leven in het welvarende Europa te gunnen. Wat men ook probeerde, het verzet nam allen maar toe, de lokale autoriteiten bleven onverzettelijk in hun oordeel. Wij lossen in dit land onze eigen problemen wel op, dus buitenland, bemoei je er alsjeblieft niet mee, was de uitleg. Nu is de armoede ter plekke weliswaar overweldigend, het is daar bijna de norm, je lost dergelijke problemen niet op door botweg een uitgestoken hand uit het buitenland te weigeren. Humanitair gezien kent zo’n beslissing alleen maar verliezers. En op die momenten zie je pas de ware betekenis van: ’s-lands wijs, ’s-lands eer.
door Rein van Vorstenbos

